Met knikkende knieën kroop ik vanmiddag op mijn fiets. Ik wist niet goed wat er de volgende uren allemaal ging gebeuren: serve the city klinkt natuurlijk mooi, net zoals I care, maar wie zijn de mensen erachter? Geen wonder dat ik een beetje zenuwachtig was. Gelukkig lachte een stralende zon mij toe. Zij toonde mij de glinsterende weg naar…
Het hoofdkwartier.
Nog steeds een beetje zenuwachtig duw ik de deur op Naamsestraat 55 open. Ik fiets de straat regelmatig af, maar dit kantoor was mij nog nooit opgevallen. Nauwelijks zet ik een voet binnen in de ruimte, die heerlijk naar citroen geurt, of twee dames proberen me om ter hartelijkst welkom te heten. Sandra en Tamara, twee zussen, leiden me rond. Zelfs de WC’s mag ik controleren. Hun eigenlijke taak bestaat uit de verschillende vrijwilligers te verwelkomen met koffie, thee of zelfs een koekje. Erbij gaan zitten kan helaas even niet. ‘We waren hier toch, dus hebben we maar alles gekuist. Dat komt altijd beter over’, vertelt Sandra. Maar te lang praten gaat niet. Ook Lisa uit Liverpool, Erin uit New York en Sara uit Leuven vinden de weg naar binnen. Het internationale groepje staat te popelen om met een nieuw project te beginnen: Serve the Streets.
‘You know them by their needs, why not know them by their names’
‘Het is het eerste jaar dat we dit project in Leuven uitproberen’, legt Anton, coördinator van Serve the City Leuven, uit. ‘In Brussel doen ze dit vanaf het prille begin, 2005 dus. De bedoeling is om daklozen aan te spreken. Ze proberen te helpen door ermee te spreken, i.p.v. gewoon vijftig cent in hun bakje te werpen. Brussel doet dit onder het motto ‘You know them by their needs, why not know them by their names’. Maar ik dacht dat er in Leuven te weinig daklozen waren, tot nu dus. We proberen het!’
Lisa, Erin en Sara krijgen veertig euro mee om koffie, fruit of iets anders eetbaar te kopen. Zo kunnen ze gemakkelijker contact leggen. Nu hebben ze enkel nog een plan van aanpak nodig. ‘Ik ga er gewoon naast zitten en zeg ‘Hey, hoe gaat het?’, vindt Erin. Na deze woorden laat ik ze even alleen. Er is namelijk nog een project bezig: Michael en Anton zelf zijn auto’s aan het wassen in het Kolveniershof.
Verschillende kleuren grijs
Na een druk op de deurbel leidt een van de medewerksters van het Kolveniershof mij naar een steegje met daarin drie grote, grijze bestelwagens. De bordjes leren mij dat het Ford Transits zijn. De medewerkster zelf snelt weer naar binnen. Ze zijn bezig met een letterspelletje. Het lijkt niets speciaal, tot ik het groepje eens goed in me opneem. De meeste deelnemers hebben een geestelijke handicap. Het Kolverniershof zet zich daar dan ook dag na dag voor in.
Maar terug naar de grijze auto’s. Of nee, plots staan er een rode, gele en blauwe wagen. Anton en de Australische Michael hun taak zit erop. ‘Het is leuk dat ze hier in Leuven zo’n projecten hebben’, vindt Michael. ‘In Australië was ik vooral bezig met het opzetten en begeleiden van kinderkampen. Via een vriend van Anton kwam ik met Serve the City in contact. Het is de eerste keer dat ik meehelp, maar ik doe het zeker nog!’ Anton is blij dat te horen. ‘Ikzelf probeer altijd een project mee te doen. Het zou nogal vreemd overkomen, moest ik iedereen enthousiast aanzetten om te helpen, maar zelf niets doen. Het is trouwens altijd geweldig om samen te werken met het Kolveniershof. Daar weten ze hoe ze met vrijwilligers moeten omgaan.’ Het lijken wel profetische woorden. Een van de medewerksters komt naar buiten gelopen met een drankje en… een paaseitje voor de harde werkers.
Overal Roemenen
Ik laat ze genietend achter om me weer bij de drie anderen te voegen. Daklozen vinden blijkt toch iets moeilijker dan gedacht. Daar zit vast het goede weer voor iets tussen. Aan het begin van de Bondgenotelaan hebben ze iets meer geluk.
Een oude man probeert met een bordje geld voor eten te krijgen. De drie meisjes trakteren hem op een cappuccino, een appel en een chocoladekoek. Sara, de enige die Frans spreekt net zoals de man, knoopt een gesprek aan. ‘Ik heb hart- en longproblemen. Koffie mag ik dus niet drinken, maar een cappuccino met genoeg suiker lukt wel’, vertelt de Roemeen. Zijn naam wil hij nog niet prijsgeven. Hij is de trotse vader van acht kinderen. Twee zonen zijn bij hem in België, maar in april zal de familie herenigd worden. In België of toch terug in Roemenië is nog de vraag. Wel weet hij dat ‘wanneer hij later naar het Paradijs gaat, er geen cappuccino meer zal zijn.’ Dus drinkt hij er nu genoeg. Bij het afscheid vertrouwt hij ons toch ‘Elia’, zijn naam, toe.
Een beetje verder ontmoeten we Anton, een jonge accordeonspeler en ook een Roemeen. Hij spreekt wel Engels. ‘Ik heb drie jaar in Manchester en Birmingham verbleven. Het liefst van al zou ik naar Los Angeles gaan, maar dat kost te veel.’ Dan maar het tweede beste dacht hij en kwam naar… België. ‘Mensen moeten trots zijn op hun land. Je blijft er altijd mee verbonden’, leert hij ons. Ondertussen probeert hij het gsm-nummer van Lisa te pakken te krijgen. ‘Ik praat met je als ik je tegenkom, daar heb je geen nummer voor nodig’, wijst ze hem af.
Op de koffie
Genoeg harten gebroken voor een dag, denkt de groep. Ze trekken hoofdkwartier waar ze opnieuw hartelijk onthaald worden met koffie, woorden. Tamara: ‘Elk uur dat iemand zich inzet, is een uur. Daar kan je zoveel op doen. Maar mensen moeten opnieuw leren dat geven, meer is dan geven alleen. Je krijgt er ook zoveel voor terug.’


